Al in de middeleeuwen spraken Hollandse zeelieden een eigen taal aan boord, vol termen die in geen enkel woordenboek stonden. Vandaag zijn die woorden nauwelijks veranderd. Wie voor het eerst in een zeilboot stapt, voelt zich soms een buitenlander: loef, lij, wenden, halzen. Toch zit er een logica in, en die logica leer je snel.
Links en rechts bestaan niet aan boord
Op een boot gebruik je nooit links of rechts. Die begrippen zijn relatief: wat links is voor iemand die naar voren kijkt, is rechts voor iemand die naar achteren kijkt. Aan boord gelden vaste richtingen ten opzichte van het schip zelf.
- Stuurboord: de rechterkant van het schip, gezien vanuit de kijkrichting naar de boeg (het voorschip). Vroeger zat het stuurriemen aan deze zijde.
- Bakboord: de linkerkant, gezien vanuit dezelfde kijkrichting. Identificeer je via het rode positielicht.
- Boeg: het voorste deel van het schip.
- Spiegel: de platte achterwand van de romp, ook wel achtersteven.
- Loefzijde: de kant waarvan de wind afkomstig is.
- Lijzijde: de kant waarnaartoe de wind waait.
Zeilstanden: hoek ten opzichte van de wind
De koers die je zeilt ten opzichte van de wind bepaalt welke zeilstand je hanteert. Elke stand vraagt een andere trimming van je zeilen.
| Zeilstand | Windhoek (ca.) | Omschrijving |
|---|---|---|
| Aan de wind | 30 tot 45 graden | Zo dicht mogelijk tegen de wind in zeilen |
| Halve wind | 90 graden | Wind recht opzij, snelste zeilstand voor veel boten |
| Ruime wind | 120 tot 150 graden | Wind schuin van achteren, comfortabele stand |
| Voor de wind | 180 graden | Wind recht van achteren, gijprisico bij koersafwijking |
Aan de wind is de moeilijkste stand voor beginners: je zeilen staan strak, de boot helt en elke graad te ver indraaien laat ze klapperen. Voor de wind voelt rustiger, maar vraagt oplettendheid voor een onverwachte gijp, waarbij de giek met kracht van de ene naar de andere kant slaat.
Wenden en halzen: de twee manieren om van koers te veranderen
Wil je van koers veranderen, dan heb je twee opties. Bij een wending (ook wel overstag gaan) draait de boeg door de wind. De boot gaat van stuurboordboeg naar bakboordboeg. Dat is de meest gebruikte methode bij het zeilen aan de wind.
Bij een halse (gijpen) gaat de spiegel door de wind. Dit gebeurt wanneer je voor de wind vaart en van koers wisselt. De giek wisselt razendsnel van kant. Een gecontroleerde halse vraagt oefening. Onbedoeld halzen is een van de meest voorkomende oorzaken van ongelukken bij beginnende zeilers.
Schoten, vallen en het trimmen van zeilen
Een schoot is het touw waarmee je de positie van een zeil regelt. Het grootschoot stuurt de giek en daarmee het grootzeil. Het fokkentelefoon regelt de fok, het voorste zeil. Een val is het touw waarmee je een zeil hijst of strijkt. Trimmen betekent het zeil zo afstellen dat het optimaal de wind vangt: niet te strak, niet te los.
De taal van de zee lijkt ingewikkeld, maar wie de logica erachter begrijpt, heeft in een middag de basis te pakken.
Loef en lij: windkant en lijkant
Loef is de kant waarvan de wind komt. Lij is de kant waarnaartoe de wind waait. Een loefgierig schip wil voortdurend van zichzelf naar de wind toe draaien, een lijgierig schip juist van de wind af. Goede zeilbootjes zijn licht loefgierig: dat geeft de stuurman houvast en maakt het schip veiliger.
De begrippen loef en lij gelden ook in de haven: een loefwal is een oever of kade waarvan de wind afkomstig is. Aan een lagerwal sta je tussen de wind en de kust in, wat aanleggen en afvaren lastiger maakt.