Ga naar inhoud
Geschiedenis

De geschiedenis van de walvisvaart

Van Spitsbergen tot neergang: vier eeuwen Nederlandse walvisvaart

Door Marit Jansen · Maritiem historica 2 min lezen

Wanneer begon de Nederlandse walvisvaart, en waarom eindigde ze zo abrupt? Het antwoord op die eerste vraag is 1614, toen de Staten-Generaal de Noordse Compagnie het octrooi gaven om tussen Nova Zembla en Newfoundland op walvissen en robben te jagen. Het einde kwam door de walvissen zelf: ze werden simpelweg te snel weggevangen.

Smeerenburg: de walvisfabriek op ijs

Het centrum van de vroege walvisvaart was Smeerenburg, een traankokerij op het eilandje Amsterdam bij Spitsbergen. Vanaf 1619 werden er 's zomers grote hoeveelheden Groenlandse walvissen verwerkt tot traan, die in Amsterdam als brandstof en smeermiddel werd verkocht. De nederzetting groeide uit tot een tijdelijk dorp met honderden arbeiders per seizoen.

Na 1642 explodeerde de vloot

In 1642 vroegen de bewindhebbers van de Noordse Compagnie geen verlenging van het octrooi meer aan. Zodra het alleenrecht verviel, stortte iedereen zich op de vangst. Het aantal schepen groeide in enkele jaren van dertig naar tweehonderd, met uitschieters tot driehonderd per jaar. Aan het einde van de 17e eeuw telde de Nederlandse walvisvaart 150 tot 250 schepen die jaarlijks tussen de 750 en 1.250 walvissen vingen. Die intensiteit was niet vol te houden: de Groenlandse walvis raakte rond 1700 praktisch uitgeput in de Spitsbergense wateren, en Smeerenburg werd verlaten.

Bronnen

Lees ook