Van de meer dan 550.000 mensen die Nederland vanuit Afrika naar de Amerika's vervoerde, overleefde ruwweg tien procent de overtocht niet. Dat is geen abstracte statistiek: het gaat om tienduizenden mensen die stierven in de laadruimen van schepen die in Middelburg, Amsterdam of Vlissingen waren uitgerust. De schepen zelf waren veelal gewone handelsvaaartuigen. Ze werden pas aan de Afrikaanse kust omgebouwd tot wat historici een slavenschip noemen.
Begrijp de context: de driehoekshandel
De transatlantische slavenhandel werd georganiseerd als een driehoeksroute tussen drie continenten. De West-Indische Compagnie (WIC, opgericht in 1621) en de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) speelden daarin de hoofdrol vanuit Nederland. Een reis duurde gemiddeld achttien maanden en bestond uit drie fasen.
- Stap 1 - Uitreden vanuit Europa: Een schip vertrok vanuit Middelburg, Vlissingen of Amsterdam met een cargasoen: textiel, wapens, buskruit, alcoholische dranken en snuisterijen zoals kralen en spiegels. Dit waren ruilgoederen bestemd voor lokale kooplieden en vorsten aan de West-Afrikaanse kust.
- Stap 2 - Aanpassen van het schip voor de kust van Afrika: Ter plaatse bouwde de scheepstimmerman boven het ruim een extra dek in. Er kwamen stellingen van twee verdiepingen waarop de gevangenen moesten slapen. Een middenschot scheidde mannen van vrouwen en kinderen. Grotere schepen konden 400 tot 500 mensen laden, kleinere circa 100 tot 200.
- Stap 3 - De middendoorvaart (Middle Passage): De overtocht van West-Afrika naar de Caraïben of Brazilië duurde vijf tot acht weken. Gevangenen lagen vastgeketend op nauwelijks meer dan een halve meter ruimte per persoon. Dysenterie, scheurbuik en pokken eisten hun tol. Zo'n tien procent van de vervoerden stierf onderweg.
- Stap 4 - Verkoop op de eindbestemming: In Curaçao, Suriname of andere Caraïbische eilanden werden de mensen verkocht op veilingen. Curaçao fungeerde als regionaal doorvoercentrum: meer dan 100.000 mensen werden er door de WIC verhandeld.
- Stap 5 - Retourlading naar Europa: Het lege schip vertrok terug naar Europa, volgeladen met suiker, koffie, tabak, cacao, indigo en katoen. Pas nu leverde de volledige driehoek winst op voor de rederij.
Welke schepen werden gebruikt?
De WIC en MCC hadden geen speciale slavenschepen in hun vloot. Ze gebruikten gewone handelsschepen: twee- of driemastige fregatten en fluiten van 200 tot 400 ton. Pas na aankomst bij Fort Elmina (veroverd door de Nederlanders in 1637 op het huidige Ghana) werden de schepen ingericht voor mensentransport.
Het schip werd grotendeels de basis voor de meest winstgevende fase van de reis. De omvang van het laadruim bepaalde hoeveel mensen konden worden vervoerd. Rederijen drongen aan op zo hoog mogelijke bezetting, wat de omstandigheden verder verslechterde. Bij ziekte-uitbraken lieten kapiteins soms gevangenen overboord gooien om de rest van de lading te redden, of om verzekeringsgeld te innen.
Controleer de Nederlandse betrokkenheid
Het Nederlandse aandeel in de totale Atlantische slavenhandel bedroeg circa vijf procent. De WIC transporteerde naar schatting 273.000 mensen; de MCC, die vanuit Zeeland opereerde, ondernam 133 reizen en vervoerde 31.000 mensen. De slavenhandel werd in Nederland officieel verboden in 1814, de slavernij zelf pas afgeschaft in 1863.
Hoe herken je een slavenschip in historische bronnen?
In scheepsjournalen, ladinglijsten en rederij-archieven zijn slavenreizen terug te vinden. Let op de combinatie: cargasoen van textiel en wapens op de uitreis, een vermelding van een tussendek of slavendek in de scheepsbeschrijving, en een retourlading van koloniale producten. Het Zeeuws Archief in Middelburg bewaart de meest volledige administratie van de MCC-reizen.