Een veelgehoorde misvatting is dat het anker gooien werkt. Dat klinkt logisch, maar is precies verkeerd. Een anker dat wordt gegooid landt in een wirwar van lijn en kan zich nooit goed vastzetten. Correct ankeren is een gecontroleerde handeling waarbij het anker beheerst wordt neergelaten. Het verschil tussen slepen en goed liggen zit in de voorbereiding en de hoeveelheid lijn die je viert.
Hoe kies je de juiste ankerplaats?
Een goede ankerplaats biedt beschutting tegen wind en stroom, voldoende diepte en een zanderige of modderige bodem. Rotsbodem houdt een anker slecht; waterplanten en harde klei ook. Controleer altijd de zeekaart of vaarkaart op de bodemsoort en op eventuele kabels of leidingen. Anker nooit in een vaargeul, bij ligplaatsen van anderen, of op plekken die staan aangegeven als ankerverbod.
Controleer ook de ruimte om je heen. Bij windwijziging draait de boot rond het anker. De zwaaicirkel is grofweg gelijk aan de uitgegeven lijnlengte. Staat er op 30 meter al een andere boot of oever, dan is die plek te klein.
Hoeveel lijn is genoeg?
De verhouding tussen uitgegeven lijnlengte en waterdiepte heet de scope. Bij uitsluitend ankerketting is een scope van 3:1 het minimum, dus bij 4 meter waterdiepte minimaal 12 meter ketting. Bij ankerlijn van touw is 5:1 nodig. In onrustig water of bij flinke wind is 4:1 met ketting of 7:1 met touw verstandiger. Tel daarbij altijd de hoogte van het kluisgat boven het wateroppervlak op.
Het gewicht van de ketting speelt ook een rol. Een doorzakkende ketting absorbeert schokken beter dan een strakgespannen lijn. Dat vermindert de belasting op het anker zelf. Markeer iedere vijf meter een schakel met verf of een kabelbinder, zodat je weet hoeveel er overboord gaat.
De stappen in volgorde
- Vaar langzaam naar de gekozen ankerplaats. Draai de boeg in de wind of, als de stroom sterker is, met de boeg tegen de stroom in.
- Zorg dat de boot vrijwel stilstaat ten opzichte van de bodem. Gebruik een referentiepunt op de oever om dit te controleren.
- Laat het anker beheerst zakken. Niet gooien. Voel wanneer het de bodem raakt.
- Vaar nu langzaam achteruit terwijl je de ankerlijn of ketting viert tot de gewenste scope. Gebruik een teller of de markeringen op de lijn.
- Zodra voldoende lijn overboord is, geef je een lichte rem op de lijn. De boot vaart verder achteruit. Hierdoor hapt het anker zich vast in de bodem.
- Controleer of het anker houdt door een motortest: geef even licht gas achteruit en kijk of de boot beweegt of op zijn plek blijft.
- Neem twee kruispeilen op twee vaste objecten op de wal. Controleer die peilen regelmatig om slepen op tijd te ontdekken.
Wat als het anker sleept?
Slepen merk je doordat de peilen verschuiven of de bodemsonar onregelmatig dieptewissels toont. Reageer direct: geef gas achteruit om het anker opnieuw te laten happen, of haal het geheel op en kies een betere plek. Wacht niet af in de hoop dat het vanzelf stopt. Vooral bij opkomende wind kan een slepend anker binnen enkele minuten tot een gevaarlijke situatie leiden.
Terug ophalen: de juiste werkwijze
Vaar langzaam vooruit richting het anker terwijl de lijn of ketting wordt ingehaald. Zodra de lijn loodrecht staat, geef je gas achteruit en wacht je tot het anker loskomt. Nooit blindweg gas geven. Bij een vastgezet anker in een harde bodem kan een looplyn (trip line) uitkomst bieden. Dit is een extra lijn die aan de kroon van het anker is bevestigd en het anker van onderaf kan loswrikken.