Een veelgehoorde misvatting is dat aanvaringen vrijwel altijd veroorzaakt worden door slecht zicht of storm. De werkelijkheid is anders: de meeste scheepsbotsingen gebeuren bij helder weer, overdag, in drukbevaren vaarwaters. Haast, onderschatting van naderende snelheid en te laat handelen zijn de voornaamste oorzaken. Goede kennis van de uitwijkregels en tijdig ingrijpen kunnen vrijwel elke aanvaring voorkomen.
Ken de geldende reglementen: BVA en BPR
Op zee geldt de Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee, afgekort BVA, internationaal bekend als COLREGs (Convention on the International Regulations for Preventing Collisions at Sea, 1972). Het verdrag is opgesteld door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en bindend voor vrijwel alle scheepvaartlanden. Op de Nederlandse binnenwateren geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR), dat aansluit op de internationale normen maar specifieke regels toevoegt voor rivieren, kanalen en meren.
Beide reglementen werken vanuit hetzelfde basisprincipe: elke vaartuigvoerder is te allen tijde verantwoordelijk voor een veilige en aangepaste snelheid, een goede uitkijk en het tijdig nemen van maatregelen om aanvaring te voorkomen. Wie voorrang heeft, moet dat recht niet per se laten gelden als dat een aanvaring zou veroorzaken.
Houd een voortdurende uitkijk
Regel 5 van de BVA verplicht elk vaartuig tot een permanente uitkijk, zowel visueel als akoestisch en via radar. Op grotere schepen staat een wachtofficier permanent op de brug; op recreatievaartuigen rust die plicht op de schipper. Lengte van het schip of drukte op het water maakt die verplichting niet kleiner. Een blind spot aan de voorzijde van een groot containerschip kan honderden meters beslaan. Kleine boten die in die schaduw varen, zijn voor de brug simpelweg onzichtbaar.
Handel vroeg, ruim en duidelijk zichtbaar
Wanneer uitwijken noodzakelijk is, stelt de BVA dat de koerswijziging vroeg, ruim en voor de andere partij goed zichtbaar moet zijn. Een kleine correctie van 5 graden is gevaarlijker dan een duidelijke zwenk van 30 graden, omdat de andere stuurman bij een kleine correctie niet kan inschatten of er überhaupt een manoeuvre plaatsvindt. Snelheidsverlies als enige maatregel is minder gewenst omdat het de situatie verlengt en de afstand verkleint.
- Stel vast of er sprake is van een naderende koers (peilingsvaste koers) via radar of visueel peilcompas
- Bepaal wie uitwijkplichtig is op basis van het van toepassing zijnde reglement
- Wacht niet af; neem tijdig een ruime koerswijziging
- Geef bij twijfel of onduidelijkheid het geluidsein van vijf of meer korte stoten
- Controleer na het manoeuvre of de situatie daadwerkelijk veilig is geworden
Begrijp de uitwijkplichtige en de koershouder
De BVA maakt onderscheid tussen de uitwijkplichtige (give-way vessel) en de koershoudende (stand-on vessel). De uitwijkplichtige moet tijdig en ruim handelen. De koershouder houdt koers en snelheid aan zodat de uitwijkplichtige kan inschatten wat er gaat gebeuren, maar is verplicht alsnog actie te nemen als aanvaring dreigt ondanks de manoeuvres van de ander.
Basisregels voor vrije wateren onder de BVA: vaartuigen die elkaar van stuurboord naderen, geven stuurboord aan stuurboord aan elkaar; wie een ander inloopt (inhaalt), is uitwijkplichtig ongeacht de relatieve manoeuvreerbaarheid; zeilschepen met motorvermogen worden behandeld als motorschepen. Op binnenwateren onder het BPR geldt aanvullend de stuurboordwal-regel: vaartuigen houden zoveel mogelijk bakboord van het vaarwater aan zodat tegenliggers aan stuurboord van elkaar passeren.
Gebruik geluid- en lichtsignalen correct
Licht- en geluidssignalen zijn geen aankondiging van een manoeuvre achteraf, maar een communicatiemiddel om intenties te melden en te bevestigen. Eén korte stoot (ongeveer 1 seconde) betekent: ik wijk af naar stuurboord. Twee korte stoten: ik wijk af naar bakboord. Drie korte stoten: ik sla achteruit. Vijf of meer korte stoten duiden op onduidelijkheid of gevaar. In beperkt zicht geldt een verplicht mistseinstelsel op vaste tijdsintervallen.