U ziet ze op museumschilderijen, in schoolboeken en op souvenirs: robuuste houten driemaster met bolronde rompen, torenhoge masten en tientallen kanonnen langs de zijkant. Maar klopt dat beeld eigenlijk? De VOC voer tussen 1602 en 1799 met honderden schepen over de wereldzeeën, en de werkelijkheid was gevarieerder en interessanter dan de meeste afbeeldingen suggereren.
Mythe 1: De VOC voer alleen met grote retourschepen
Feit: de VOC gebruikte een heel arsenaal aan scheepstypen. Het retourschip (of spiegelretourschip) was inderdaad het vlaggenschip van de vloot, maar ook fregetten, jachten, hoeken en pinas-schepen maakten deel uit van de vloot. De grootste retourschepen hadden een lengte van 42,25 meter (150 Amsterdamse voet) en een laadvermogen van gemiddeld 800 ton. Kleinere vaartuigen werden ingezet voor kusthandel en verkenning in Aziatische wateren.
Mythe 2: VOC-schepen waren voornamelijk oorlogsschepen
Feit: de meeste VOC-schepen waren handelsvaartuigen, gebouwd om zo veel mogelijk lading te vervoeren. Het retourschip had weliswaar kanonnen aan boord, maar het primaire doel was het vervoer van specerijen, porselein, thee en zijde. De Batavia (1628), een van de bekendste VOC-schepen, vervoerde 341 mensen (303 bemanningsleden en 38 passagiers) plus een lading van twaalf kisten zilvermunt en goud ter waarde van 260.000 gulden. Kanonnen waren verdedigingswapen, geen aanvalsinstrument in de eerste plaats.
Mythe 3: Het fluitschip was een zwaar, log vaartuig
Feit: de fluit was juist een vernufte innovatie gericht op efficiëntie. Dit scheepstype, voor het eerst beschreven rond 1595 en gebouwd in grote aantallen vanaf begin 1600, was ontworpen met een verhouding van vier keer zo lang als breed. Dat gaf de fluit een groot laadvermogen bij relatief geringe breedte, waardoor minder havengeld werd betaald in steden die op scheepsbreedte berekenden. Meer dan duizend fluitschepen werden in de loop van twee eeuwen gebouwd.
Mythe 4: VOC-schepen waren allemaal even groot
Feit: de VOC werkte met drie vaste klassen retourschepen: de grootste met 150 Amsterdamse voet (42,25 meter), de middelste met 138 voet (39,05 meter) en de kleinste met 130 voet (36,8 meter). Naast retourschepen voer de Compagnie ook met veel kleinere vaartuigen van 20 tot 30 meter. Uniformiteit was ver te zoeken, mede omdat schepen bij verschillende werven werden besteld.
Mythe 5: De bemanning leefde comfortabel op zo'n groot schip
Feit: zelfs op een retourschip van meer dan 40 meter was de ruimte extreem krap. Bemanningsleden sliepen in hangmatten of op kooien tussen de kanonnen, deelden ruimtes met vee dat levend meeging als voedselreserve, en hadden nauwelijks privacy. Een reis van Nederland naar Batavia (nu Jakarta) duurde gemiddeld acht maanden. Scheurbuik, dysenterie en andere ziekten maakten de overtocht dodelijk gevaarlijk: soms stierf een kwart van de bemanning onderweg.