Ga naar inhoud
Geschiedenis

Hoe zag een VOC-schip eruit

Vijf hardnekkige misverstanden over de schepen van de VOC

Door Marit Jansen · Maritiem historica 4 min lezen
Dwarsdoorsnede van een VOC-retourschip met zichtbare dekken, lading en bemanning

U ziet ze op museumschilderijen, in schoolboeken en op souvenirs: robuuste houten driemaster met bolronde rompen, torenhoge masten en tientallen kanonnen langs de zijkant. Maar klopt dat beeld eigenlijk? De VOC voer tussen 1602 en 1799 met honderden schepen over de wereldzeeën, en de werkelijkheid was gevarieerder en interessanter dan de meeste afbeeldingen suggereren.

Mythe 1: De VOC voer alleen met grote retourschepen

Feit: de VOC gebruikte een heel arsenaal aan scheepstypen. Het retourschip (of spiegelretourschip) was inderdaad het vlaggenschip van de vloot, maar ook fregetten, jachten, hoeken en pinas-schepen maakten deel uit van de vloot. De grootste retourschepen hadden een lengte van 42,25 meter (150 Amsterdamse voet) en een laadvermogen van gemiddeld 800 ton. Kleinere vaartuigen werden ingezet voor kusthandel en verkenning in Aziatische wateren.

Mythe 2: VOC-schepen waren voornamelijk oorlogsschepen

Feit: de meeste VOC-schepen waren handelsvaartuigen, gebouwd om zo veel mogelijk lading te vervoeren. Het retourschip had weliswaar kanonnen aan boord, maar het primaire doel was het vervoer van specerijen, porselein, thee en zijde. De Batavia (1628), een van de bekendste VOC-schepen, vervoerde 341 mensen (303 bemanningsleden en 38 passagiers) plus een lading van twaalf kisten zilvermunt en goud ter waarde van 260.000 gulden. Kanonnen waren verdedigingswapen, geen aanvalsinstrument in de eerste plaats.

Mythe 3: Het fluitschip was een zwaar, log vaartuig

Feit: de fluit was juist een vernufte innovatie gericht op efficiëntie. Dit scheepstype, voor het eerst beschreven rond 1595 en gebouwd in grote aantallen vanaf begin 1600, was ontworpen met een verhouding van vier keer zo lang als breed. Dat gaf de fluit een groot laadvermogen bij relatief geringe breedte, waardoor minder havengeld werd betaald in steden die op scheepsbreedte berekenden. Meer dan duizend fluitschepen werden in de loop van twee eeuwen gebouwd.

Mythe 4: VOC-schepen waren allemaal even groot

Feit: de VOC werkte met drie vaste klassen retourschepen: de grootste met 150 Amsterdamse voet (42,25 meter), de middelste met 138 voet (39,05 meter) en de kleinste met 130 voet (36,8 meter). Naast retourschepen voer de Compagnie ook met veel kleinere vaartuigen van 20 tot 30 meter. Uniformiteit was ver te zoeken, mede omdat schepen bij verschillende werven werden besteld.

Mythe 5: De bemanning leefde comfortabel op zo'n groot schip

Feit: zelfs op een retourschip van meer dan 40 meter was de ruimte extreem krap. Bemanningsleden sliepen in hangmatten of op kooien tussen de kanonnen, deelden ruimtes met vee dat levend meeging als voedselreserve, en hadden nauwelijks privacy. Een reis van Nederland naar Batavia (nu Jakarta) duurde gemiddeld acht maanden. Scheurbuik, dysenterie en andere ziekten maakten de overtocht dodelijk gevaarlijk: soms stierf een kwart van de bemanning onderweg.

Veelgestelde vragen

Het spiegelretourschip was het meest kenmerkende VOC-schip. Het had een versierde spiegel (achtersteven) en was bedoeld voor de lange vaart naar Azië. De replica van de Batavia in Lelystad geeft een goed beeld van dit scheepstype.

Van de circa 1.600 schepen die de VOC in haar bestaan inzette, zijn er ruim 250 vergaan. De meeste schipbreuken vonden plaats bij Kaap de Goede Hoop of in de Indische Oceaan.

Ja. Nederlandse scheepsbouwers stonden bekend om hun efficiënte ontwerpen zoals het fluitschip, waarbij laadvermogen en lage bouwkosten centraal stonden. Engelse en Portugese schepen waren vaak zwaarder bewapend maar minder efficient als vrachtschip.

Bronnen

Lees ook