Omstreeks 1920 voeren er vanuit de havens langs het Winschoterdiep bij Groningen kleine motorkustvaarders de Noordzee op. De plaatselijke bevolking noemde ze kortweg coasters. Lage diepgang, ruim laadruim, diesel motor. Ze konden terecht in de kleinste haventjes van Engeland, Scandinavië en de Baltische kusten. Halve wereld, half binnenvaartschip.
Wat is een coaster precies?
Een coaster is een klein zeegaand vrachtschip, bedoeld voor de kust- en kortzeevaarrt. De naam verwijst niet uitsluitend naar het vaargebied: in Nederland wordt de term gebruikt voor schepen onder een bepaalde tonnage, ongeacht waar ze varen. Coasters verschijnen in Europese havens maar ook in Japan, Noord-Amerika en Australië.
De officiële grens voor de 'kleine handelsvaart' lag lange tijd bij een waterverplaatsing van minder dan 500 brt. Sinds 1970 geldt in Nederland een lengte van minder dan 75 meter als maatstaf. Coasters vallen daarbinnen, maar het scheepstype kent een brede bandbreedte: van een kleine kustvaarder die 300 ton laadt tot een riviermondingvaartuig van 99,87 bij 14,5 meter met een laadvermogen van 3.870 ton.
Tot ver in de twintigste eeuw bestond de helft van de Nederlandse kleine koopvaardijvloot uit Groningse motorschepen.
Gebouwd langs het Winschoterdiep
De coaster is bij uitstek een Gronings product. Al in de dertiende en veertiende eeuw voeren Groningse kapiteins naar Engeland en de landen rond de Baltische Zee in kleine vaartuigen die zowel over binnenwateren als op zee konden navigeren. De turfwinning in de Groningse veenkoloniën stimuleerde de scheepvaart verder, en rond 1860 bezat de provincie bijna de helft van alle Nederlandse zeeschepen. Klein waren ze wel: in tonnage gemeten was het aandeel slechts een vijfde van de totale vloot.
De echte doorbraak kwam na 1920. De introductie van de dieselmotor maakte het mogelijk om grotere lading te vervoeren met een kleine bemanning. Waar een zeilschip nog zes tot tien man nodig had, voer de eerste generatie motorcoasters met drie of vier opvarenden. De scheepswerven in Waterhuizen, Hoogezand en omgeving bouwden in hoog tempo nieuwe schepen. In de beste jaren vertrok er bijna wekelijks een nieuw motorschip van de helling.
Kenmerken die een coaster herkenbaar maken
Lage diepgang is de meest praktische eigenschap van een coaster. Het maakt het schip toegankelijk voor haventjes zonder diepe geul, maar ook voor kanalen en rivieren. De meeste coasters zijn zeewaardig én binnenvaardig tegelijk. Dat maakte ze onmisbaar voor de aanvoer van goederen naar steden die niet direct aan zee lagen.
- Lengte: doorgaans 50 tot 90 meter (varieert sterk per generatie)
- Laadvermogen: 300 tot circa 4.000 ton (afhankelijk van type)
- Diepgang: laag, geschikt voor kleine havens en kanaalvaart
- Bemanning: 3 tot 8 opvarenden bij moderne schepen
- Lading: stukgoed, bulk, containers, project cargo
- Voortstuwing: dieselmotor, éénschroef of tweeschroef
Europese kustvaart: routes en ladingen
Coasters varen de zogenaamde 'short sea'-routes: van Rotterdam naar Hamburg, van Antwerpen naar Newcastle, van Lübeck naar Riga. Ze transporteren hout, staal, papier, graan, meststoffen en steeds vaker containers. De containervarianten heten 'feeder vessels': ze halen containers op van grote oceaanterminals en verspreiden ze langs de Europese kusten.
De coaster concurreert direct met de weg. Een vrachtwagen rijdt sneller punt-tot-punt, maar een coaster vervoert bij elke reis honderden tons meer dan een trailer. Op trajecten boven de 500 kilometer en voor bulkladingen is de coaster per tonkilometer goedkoper en minder vervuilend. Dat maakt het scheepstype relevant in elke discussie over duurzame logistiek.
De Groningse coaster in het moderne tijdperk
De Groningse scheepsbouw is grotendeels verdwenen. Waar vroeger tientallen kleine werven actief waren, zijn er nu nog enkele over. Maar de nauwe band tussen Groningen en de kustvaart is niet verbroken. Veel rederijen in Noord-Nederland exploiteren nog altijd coasters op Europese routes. Familiebedrijven waarbij de schipper-eigenaar tegelijk kapitein is zijn nog steeds geen uitzondering.
Nieuwe coasters worden steeds vaker gebouwd in Oost-Europa en China, maar naar Gronings ontwerp. De romp is breder geworden voor meer stabiliteit, de motor voldoet aan strenge EU-emissienormen (Tier III), en de brug is uitgerust met geautomatiseerde systemen. Drie man kan soms volstaan. Het principe van een snel, wendbaar en goedkoop vrachtschip bleef hetzelfde als in 1920.
-
1300-1400
Vroegste Groningse kustvaarders
Groningse kapiteins varen naar Engeland en de Baltische kusten in kleine gecombineerde zee- en binnenvaartvaartuigen.
-
1860
Bloeitijd zeilende coasters
Bijna de helft van alle Nederlandse zeeschepen is in Gronings eigendom, al zijn ze klein. Transport van turf en landbouwproducten domineert.
-
1920
Motorkotter introduceert dieselaandrijving
De eerste generatie motorcoasters vertrekt van de hellingen langs het Winschoterdiep. Kleinere bemanningen, grotere vracht, hogere frequentie.
-
1960-1980
Schaalvergroting
Coasters worden groter en hebben meer laadvermogen. Staal vervangt hout volledig. Container-feeder varianten verschijnen.
-
2000-heden
Moderne short-sea kustvaart
Strengere emissienormen (EU Tier III), geautomatiseerde bruggen en LNG-brandstof houden de coaster competitief naast weg- en spoortransport.