Er bestaat een hardnekkig beeld dat Jan Adriaenszoon Leeghwater de Beemster eigenhandig heeft drooggelegd. Dat klopt niet. Leeghwater was de uitvoerend waterbouwkundige, maar het project stond of viel met een groep Amsterdamse en Haagse kooplieden die het geld bijeenbrachten. Zonder hun kapitaal was de Beemster een meer gebleven.
Waarom drooglegden Nederlanders zo massaal meren?
Noord-Holland lag in de 17e eeuw bezaaid met veenplassen en meren die door stormvloeden steeds verder uitbreidden. Dat was gevaarlijk voor de steden eromheen en verspilde vruchtbare grond. Tegelijk had Amsterdam door de VOC-handel kapitaalrijke kooplieden die zochten naar rendabele investeringen. De combinatie van dreiging en winst maakte droogmakerijen aantrekkelijk. De Beemster, ruim 7.000 hectare groot, was de meest ambitieuze onderneming die ooit was aangepakt.
Hoe werkte het droogmakingsproces?
In 1607 verleenden de Staten van Holland het octrooi aan de investeerdersgroep. Rondom het meer werd een ringdijk van 42 kilometer aangelegd, met een ringvaart als buffer. Daarna gingen 43 windmolens aan het werk om het water weg te malen. Op 19 mei 1612 lag de Beemster droog. Vervolgens werd het polderlandschap ingedeeld in een strikt geometrisch raster van wegen, sloten en kavels, een methode die later model stond voor tientallen andere projecten.
Welke droogmakerijen volgden na de Beemster?
De Beemster was het startschot. In de decennia daarna volgden in hoog tempo vergelijkbare projecten in dezelfde regio. De Purmer (1622), de Wijde Wormer (1626) en de Schermer (1635) werden allemaal drooggemalen volgens vergelijkbare technieken. Leeghwater was ook bij de Purmer en de Schermer betrokken. Samen vormden deze polders een aaneengesloten gordel van nieuw cultuurland die de Amsterdamse voedselproductie en landbouweconomie structureel versterkten.
-
1602
VOC opgericht
De Vereenigde Oost-Indische Compagnie begint en trekt Amsterdams kapitaal aan, deels later ingezet voor droogmakerijen.
-
1607
Octrooi verleend
De Staten van Holland geven het octrooi aan een groep investeerders om de Beemster droog te leggen. Jan Leeghwater leidt de uitvoering.
-
1612
Beemster droog
Op 19 mei 1612 is de Beemster drooggemalen door 43 windmolens. De geometrische verkaveling begint direct daarna.
-
1622
Purmer drooggelegd
De Purmer, ten noorden van Amsterdam, wordt drooggemalen. Leeghwater is opnieuw betrokken als waterbouwkundige.
-
1626
Wijde Wormer drooggelegd
De Wijde Wormer volgt als derde grote Noord-Hollandse droogmakerij van de 17e eeuw.
-
1635
Schermer drooggelegd
De Schermer is de laatste van de grote Gouden Eeuwse droogmakerijen in Noord-Holland, eveneens onder leiding van Leeghwater.
-
1999
UNESCO Werelderfgoed
De Beemster wordt erkend als UNESCO Werelderfgoed vanwege de unieke geometrische inrichting en historische betekenis.
Wat maakte de Beemster uniek als ontwerp?
Niet elke droogmakerij was een geometrisch meesterwerk. De Beemster werd bewust ingedeeld in volkomen vierkante kavels, gebaseerd op klassieke landmeetkundige principes. Boerderijen en wegen volgden een orthogonaal patroon dat in die tijd uniek was voor Nederland. Die planmatige aanleg was ook de reden dat de Beemster in 1999 op de UNESCO Werelderfgoedlijst werd geplaatst, als uitdrukking van de hoogtepunten van de Hollandse Gouden Eeuw.
Wat was de rol van de VOC in de financiering?
Een deel van het startkapitaal voor de drooglegging van de Beemster was afkomstig van kooplieden die ook aandelen in de VOC bezaten. De twee projecten overlapten in tijd: de VOC werd opgericht in 1602, het octrooi voor de Beemster volgde in 1607. Hetzelfde netwerk van risicobereid investeerders dat de overzeese handelsroutes financierde, stak ook geld in het omzetten van water naar land. Dat was geen toeval, het weerspiegelde een bredere Amsterdamse beleggingscultuur.