Bijna vijfduizend reizen naar Azië in twee eeuwen tijd: dat was de prestatie van de Oost-Indievaarders, de grote retourschepen van de VOC. Elk schip was tegelijk koopvaardijschip en oorlogsbodem, gebouwd om maanden op volle zee te overleven én om kanonvuur af te leveren als de situatie erom vroeg. Geen ander scheepstype bepaalde zo lang de wereldhandel.
Wat onderscheidde een Oost-Indievaarder van andere schepen?
De naam dekt twee ladingen. In engere zin was een Oost-Indievaarder elk schip dat voor de VOC de route naar Azië voer. In de praktijk wordt de term gebruikt voor het spiegelretourschip, het standaard VOC-type dat domineerde van de tweede helft van de 17e eeuw tot het einde van de compagnie in 1799.
Het spiegelretourschip was herkenbaar aan zijn afgeplatte achterkant, de spiegel. Die werd altijd rijkelijk versierd met houtsnijwerk en verf, een statussymbool dat van verre al duidelijk maakte welke compagnie het schip uitgestuurd had. De zijden bolden breed uit: meer romp betekende meer laadruimte. Op het kanondek lagen rijen bronzen stukken gereed voor een confrontatie met piraten of vijandelijke marines.
Hoe groot was zo'n schip eigenlijk?
De afmetingen varieerden aanzienlijk over de twee eeuwen VOC-bestaan. De Geldermalsen, verloren gegaan in 1752 in de Zuid-Chinese Zee, mat 12 bij 42 meter en had een laadvermogen van 1.150 ton. Het bekendste voorbeeld van het type is de Amsterdam, waarvan een replica te zien is bij het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. De Prins Willem, het grootste spiegelretourschip ooit gebouwd voor de VOC, mat 68 meter en kon 1.200 ton laden. Dat is vergelijkbaar met het gewicht van zo'n duizend kleine auto's.
| Schip | Jaar gebouwd | Lengte | Laadvermogen | Bijzonderheid |
|---|---|---|---|---|
| Prins Willem | 1650 | 68 m | 1.200 ton | Grootste VOC-retourschip ooit |
| Amsterdam | 1748 | ca. 49 m | ca. 700 ton | Replica in Scheepvaartmuseum Amsterdam |
| Geldermalsen | 1746 | 42 m | 1.150 ton | Vergaan 1752, 239.000 stuks porselein teruggevonden |
Wat vervoerde een Oost-Indievaarder heen en terug?
De lading verschilde sterk per richting. Op de heenreis nam het schip mee wat nodig was om de handel in stand te houden en de nederzettingen in Azië te voorzien: textiel en wijnen voor ruilhandel, scheepsreparatiemateriaal, bouwmaterialen voor forten en pakhuizen, kleding voor de bemanning en papier voor de administratie. Goud en zilver, nodig als betaalmiddel, lagen diep in het ruim.
De terugreis was de reden waarom de VOC überhaupt bestond. In de ruimen lagen dan specerijen zoals nootmuskaat, peper en kruidnagel, aangevuld met porselein, thee, zijde en textiel. De Geldermalsen had bij haar ondergang in 1752 zo'n 239.000 stuks Chinees porselein aan boord, later teruggevonden en geveild in Amsterdam.
Wie voer er mee op een Oost-Indievaarder?
Een gemiddeld VOC-schip had een bemanning van zo'n 200 man. Dat klinkt veel, maar op een reis van gemiddeld acht maanden naar Batavia (het huidige Jakarta) was verlies door ziekte de norm. Scheurbuik, dysenterie en malaria eisden op elke reis hun tol. Van alle mensen die tussen 1602 en 1799 voor de VOC naar Azië voeren, keerde slechts één op de drie terug.
De bemanning was internationaal. Hollanders en Zeeuwen vormden de kern, maar Duitsers, Scandinaviërs en zelfs Aziatische zeelieden voeren mee. Op de terugweg werden soms lokale bemanning aangenomen om tekorten op te vullen. De VOC was als werkgever een vroeg voorbeeld van een multinationale organisatie.
Hoe overleefde een Oost-Indievaarder de reis?
De route was zo gestandaardiseerd als de kennis van die tijd toeliet. Vanuit Texel voer de vloot naar het zuiden, langs de Afrikaanse westkust naar Kaap de Goede Hoop. Vandaar namen de schepen de breedtevaart: ze volgden de westerlies op de zuidelijke hemelbreedte om snel de Indische Oceaan over te steken. Die route, ontdekt door Hendrik Brouwer in 1611, bespaarde maanden reistijd.
De gevaren onderweg waren legio. Kaap de Goede Hoop leverde beruchte stormen op. Piraten en vijandelijke schepen loerden op drukke handelsroutes. En het schip zelf kon altijd het begeven: de VOC verloor in totaal meer dan 200 schepen door schipbreuk.
Waarom verdween de Oost-Indievaarder?
Met het faillissement van de VOC in 1799 verdween ook de Oost-Indievaarder als scheepstype. De compagnie had haar monopolie verloren en kon de concurrentie met Engelse en Franse handelshuizen niet meer aan. In de 19e eeuw maakten snellere klipperschepen de route naar Azië korter en de lading aantrekkelijker. Stoomschepen namen het daarna over. Maar de fundamenten van de mondiale handelsmarine, de vaste routes, de gestandaardiseerde scheepsbouw, de internationale bemanning, die waren grotendeels gelegd door de Oost-Indievaarder.