De Oosterschelde. Het water staat laag, rijen palen steken boven het slik uit. Anderhalf uur later staat hetzelfde slik onder water. Niets dramatisch, niets onverwachts, puur het ritme van de oceaan dat al miljarden jaren op gang gehouden wordt door één ding: de aantrekkingskracht van de maan.
Hoe trekt de maan aan het zeewater?
De maan oefent door haar massa een zwaartekracht uit op alles wat zich op aarde bevindt. Vaste bodem beweegt nauwelijks mee, maar water is vloeibaar en geeft toe aan die aantrekking. Aan de kant van de aarde die naar de maan is toegewend, wordt het water aangetrokken en bulgt het omhoog: hoogwater. Tegelijkertijd ontstaat aan de tegenovergestelde kant van de aarde ook een waterbult, dit keer door de middelpuntvliedende kracht die ontstaat doordat de aarde en maan om hun gemeenschappelijk zwaartepunt draaien. Zo zijn er op elk moment twee gebieden met hoogwater en twee met laagwater op aarde.
Het getij is eigenlijk een reuzengolf met een golflengte van de halve aardse omtrek. Ze beweegt niet, de aarde draait er onderdoor.
Waarom hebben we in Nederland twee keer hoogwater per dag?
Doordat de aarde in ruim 24 uur om haar eigen as draait, passeert een willekeurig punt op aarde de twee hoogwaterbulten twee keer. In Nederland is er daardoor twee keer hoogwater en twee keer laagwater per etmaal. Het duurt echter geen precies 24 uur, want de maan beweegt ook voortdurend om de aarde. Het resultaat: de getijdencyclus duurt gemiddeld 24 uur en 50 minuten. Praktisch gezien betekent dit dat hoogwater elke dag circa 50 minuten later valt dan de dag ervoor.
Speelt de zon ook een rol?
Zeker. De zon heeft een eigen aantrekkingskracht op het oceaanwater, maar die is door de veel grotere afstand slechts ongeveer 46 procent zo sterk als die van de maan. Wanneer zon, maan en aarde op één lijn staan, bij volle maan of nieuwe maan, versterken de krachten elkaar. De getijdenverschillen worden dan groter: dit noemen we springtij. Staat de zon loodrecht op de verbindingslijn aarde-maan, bij eerste of laatste kwartier, dan werken de krachten tegen elkaar in. De getijdenverschillen worden kleiner: doodtij.
Springtij kan in nauwe vaarwegen zoals de Westerschelde voor stroomsnelheden zorgen van meer dan 4 knopen. Schippers die dat verschil onderschatten, betalen de prijs.
Getijdenverschillen langs de Nederlandse kust
Het getijdenverschil, het verschil in waterhoogte tussen hoog- en laagwater, varieert sterk langs de Nederlandse kust. Bij Vlissingen, aan de monding van de Westerschelde, bedraagt het gemiddeld 382 centimeter. Dat is uitzonderlijk groot voor Noordwest-Europa. Richting noorden neemt het verschil af: bij Hoek van Holland is het gemiddeld 169 centimeter, bij Den Helder 137 centimeter. Daarna neemt het in de Waddenzee weer toe: Harlingen noteert 201 centimeter, Delfzijl zelfs 299 centimeter. Deze grote regionale verschillen maken lokale getijdetafels onmisbaar voor de scheepvaart.
Hoe gebruikt u het getij als schipper?
Getijdestroom en waterdiepte zijn de twee praktische factoren die scheepvaart direct beïnvloeden. Een diepstekend schip kan een ondiepe haven alleen bij hoogwater binnenlopen. Stroomassistentie van het getij kan een passage aanzienlijk versnellen of juist gevaarlijk vertragen. Rijkswaterstaat publiceert dagelijkse getijdetabellen voor alle meetstations langs de Nederlandse kust op waterinfo.rws.nl. Getijdetabellen worden ook standaard opgenomen in de jaarlijkse Enkhuizer Almanak, al meer dan vier eeuwen het standaardnaslag voor de Nederlandse binnenvaart en kustvaart.