In 1840 bouwden Nederlandse scheepseigenaren de eerste drijvende droogdokken van hout in Amsterdam, en daarmee introduceerden ze een techniek die de scheepsbouw voorgoed zou veranderen. Sindsdien is het principe nauwelijks gewijzigd: breng een schip droog, werk aan de romp, laat het weer vlot. Alleen de schaal is spectaculair gegroeid.
Het werkingsprincipe: water erin, water eruit
Een vast droogdok is een rechthoekige betonnen put in de kade, dieper dan de diepgang van het schip dat erin moet. Aan het waterfront sluit een zware sluisdeur de put af. Om een schip binnen te halen, wordt de kolk volgelaten tot het niveau van het buitenwater. Zodra het schip op de kielblokken op de dokbodem rust, pompen krachtige centrifugaalpompen het water weg. Binnen enkele uren staat het schip droog en is de romp rondom bereikbaar.
Dat lijkt eenvoudig, maar de krachten zijn enorm. Een leeg droogdok van 300 meter lang dat volloopt heeft snel 200.000 ton water te verwerken. De pompinstallaties draaien continu, want ook via kleine kieren sijpelt er altijd water terug. Na afloop van de reparatie laat men water in, drijft het schip op, opent men de sluisdeur en vaart het schip weg.
Twee hoofdsoorten: vast dok en drijvend dok
- Vast (graving) dok: permanente betonconstruktie, in de grond gebouwd aan een kade. Stabiel, geschikt voor de zwaarste schepen, maar onverplaatsbaar.
- Drijvend dok (floating dock): een U-vormige stalen constructie die zinkt door ballasttanks te vullen en rijst door ze leeg te pompen. Flexibel inzetbaar, ook op locaties zonder diepe haven.
- Vlotdok: historische variant, een houten of stalen doos die onder het schip geschoven werd en vervolgens opgelicht werd. Tegenwoordig nauwelijks meer in gebruik.
Vanaf circa 1860 werden drijvende dokken van ijzer vervaardigd. De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM), opgericht in 1902 als opvolger van scheepswerf De Maas, exploiteerde in haar beste jaren 12 drijvende dokken tegelijk en had een piek van 7.000 medewerkers. Tot haar sluiting in 1996 bouwde de RDM 355 schepen, waaronder 18 onderzeeërs.
Wat er in een droogdok precies gebeurt
| Kenmerk | Vast (graving) dok | Drijvend dok |
|---|---|---|
| Constructie | Beton, vast in de grond | Staal, drijvend op water |
| Verplaatsbaar | Nee | Ja |
| Maximale scheepsgrootte | Afhankelijk van bouw | Afhankelijk van dimenties dok |
| Investering | Hoog (eenmalig) | Lager, flexibel inzetbaar |
| Typisch gebruik | Grote werven, marinehavens | Offshore, kleinere werven |
Zodra een schip droog staat, begint een strak georganiseerd inspectieprogramma. Duikers en inspecteurs hebben al onder water een eerste scan gedaan; nu volgt het echte werk. Aangroei van schelpen en wieren wordt met hogedrukspuiten verwijderd. Daarna inspecteert een team de romp op corrosie, krassen, slijtage van het roer en beschadigingen aan de schroef.
Handelsschepen zijn wettelijk verplicht om periodiek in droogdok te gaan. De meeste classificatiebureaus (Lloyd's, Bureau Veritas, DNV) schrijven voor dat schepen elke 2,5 jaar in droogdok moeten voor een tussentijdse inspectie en elke 5 jaar voor een volledig onderzoek. Zonder geldig klasse-certificaat mag een schip geen commerciële havens meer aandoen.
Nederland als droogdokland: een lange traditie
De Amsterdamsche Droogdok Maatschappij (ADM) werd opgericht op 17 augustus 1877 en vestigde zich op de noordoever van het IJ. Een jaar later verscheen het eerste dok. In diezelfde stad waren al in de jaren 1840 drie houten drijvende dokken in gebruik, de eerste van dat type in Europa. Nederland combineerde vroeg al de aanwezigheid van grote scheepvaartroutes, goedkope grond langs het water en technisch vernuft. Die combinatie maakte het land decennialang tot een Europees centrum van scheepsreparatie.