Elke schipper die een rivier of kustwater wil bevaren, stelt dezelfde vraag: waar is het diep genoeg? Het antwoord ligt in de vaargeul. Dat is het deel van het vaarwater dat op diepte wordt gehouden zodat schepen veilig kunnen passeren. Buiten de geul is de bodem ondieper en bestaat kans op vastlopen.
Definitie en juridische grondslag
Formeel is een vaargeul het deel van de bodem van een vaarweg dat door baggeren op een vastgestelde minimale diepte gehouden wordt. Die diepte en breedte worden vastgelegd in wet- en regelgeving. Het Besluit Scheepsafmetingen en Vaarwegprofielen (meest recente versie: 2025) beschrijft voor elk type vaarweg de minimale waterdiepte en bevaarbare breedte.
De onderhoudsplichtige, doorgaans Rijkswaterstaat of een waterschap, is verplicht de vaargeul op de afgesproken afmetingen te houden. Raken die afmetingen niet gehaald, dan kan scheepvaart worden beperkt of omgeleid.
Afmetingen: van kleine kanalen tot de Eurogeul
Vaargeulen variëren enorm in schaal. In een kleine poldersloot of boezemkanaal kan de geul slechts 13 tot 20 meter breed zijn bij een diepte van 2,10 tot 2,90 meter. Aan het andere uiterste staat de Eurogeul voor de Maasvlakte: een aangelegde diepwatergeul op de Noordzee die de grootste zeeschepen toegang geeft tot de Rotterdamse haven.
De Nieuwe Waterweg, de vaarroute van de Noordzee naar Rotterdam, werd in een verdiepingsproject uitgediept naar 17 meter onder NAP. Daardoor kunnen Aframax-tankers en New Panamax-containerschepen van meer dan 366 meter lengte de haven binnenvaren zonder tijtijdsbeperkingen. Rijkswaterstaat baggert jaarlijks circa 400.000 kubieke meter sediment uit dit traject om die diepte te handhaven.
| Vaarweg | Minimale diepte | Bevaarbare breedte | Scheepsklasse |
|---|---|---|---|
| Polderkanaal / boezemwater | 2,10 - 2,90 m | 13 - 20 m | Kleine binnenvaart |
| Hoofdvaarwegen (Rijn, Maas) | 4,00 - 5,00 m | 50 - 150 m | CEMT klasse V-VI |
| Nieuwe Waterweg | 17,00 m (NAP) | 300 m | Diepstekende zeeschepen |
| Eurogeul Maasvlakte | 24,00 m (NAP) | 600 m | ULCC, grote bulkcarriers |
Markering en veiligheid
Schippers herkennen de grenzen van de vaargeul aan drijvende boeien en vaste tekens die het IALA-systeem volgen. Bakboordboei (rood, cilindrisch) links van de geul bij opvarend verkeer, stuurboordboei (groen, kegelvormig) rechts. In drukke binnenwateren markeren ook lichtschepen of lichttorens de ingang van de geul.
Buiten de geul varen is niet verboden, maar de verantwoordelijkheid voor eventuele schade door vastlopen ligt bij de schipper. Op sommige vaarwegen, zoals de Westerschelde, is de vaargeul zo smal ten opzichte van het totale water dat grote zeeschepen en binnenvaartschepen een strakke coördinatie nodig hebben om elkaar te passeren.
Onderhoud: baggeren als permanente taak
Sediment slaat continu neer in vaargeulen, zeker in estuaria en rivieren met hoge slibbelasting. Rijkswaterstaat meet op vaste intervallen de bodemdiepte met meetschepen en stelt op basis daarvan een baggerplanning op. Het vrijgekomen zand en slib wordt teruggestort op diepere delen van de rivier of afgevoerd naar depots op zee.
Bij aanhoudende droogte neemt de rivierdiepte af en daalt het beschikbare kielspel voor binnenvaartschepen. Rijkswaterstaat publiceert dan actuele berichten voor de scheepvaart met de laagste gegarandeerde waterdiepte per vaarwegvak. Schippers passen hun lading aan om niet op de bodem te stoten, een praktijk die bekend staat als 'varen op één laag containers'.